Een bouwwerk heeft scheidingsconstructies die samen de zogenoemde ‘thermische schil’ vormen. Hieronder vallen de verticale uitwendige scheidingsconstructie (de buitengevel), de horizontale of schuine uitwendige scheidingsconstructie (het dak) en de scheidingsconstructie die grenst aan de kruipruimte of de grond (de begane-grondvloer).
In het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) is vastgelegd de gemiddelde warmteweerstand (Rc-waarde) van zo’n scheidingsconstructie van een verblijfsruimte, toiletruimte en badruimte minimaal moet zijn (artikel 4.152 Bbl). De bedoeling van dit artikel is dat gevel, dak en begane grondvloer van een gebruiksfunctie zodanig worden geïsoleerd dat warmte niet ongelimiteerd naar buiten kan weglekken. Hoe hoger de Rc-waarde, hoe beter de isolatiewaarde.
Concreet betekent dit dat de buitengevel een volgens NTA 8800 bepaalde warmteweerstand moet hebben van minimaal 4,7 m²·K/W, het dak minimaal 6,3 m²·K/W en de begane-grondvloer minimaal 3,7 m²·K/W. Dit is de gemiddelde Rc-waarde van alle onderdelen van de scheidingsconstructie. Daarnaast geldt dat de Rc-waarde van ieder afzonderlijk onderdeel in de scheidingsconstructie minstens 2,6 m2·K/W moet zijn. Op die manier is het mogelijk dat een scheidingsconstructie een onderdeel heeft met een lage Rc-waarde (van minstens 2,6 m2·K/W) en een ander onderdeel heeft met een hoge Rc-waarde.
Hoe borgen we een goede thermische schil?
Goede isolatie draait niet alleen om het juiste materiaal, maar vooral om een zorgvuldige uitvoering. Als isolatie verkeerd wordt aangebracht, ontstaan er kieren en luchtlekken, waardoor de beoogde isolatiewaarde niet wordt gehaald en niet aan de eisen wordt voldaan.
Een belangrijk aandachtspunt is dat het isolatiemateriaal goed moet aansluiten tegen de binnenmuur. Hiervoor zijn minimaal vier spouwankers per m² nodig. In de praktijk zien onze inspecteurs regelmatig dat dit misgaat.
Doordat het isolatiemateriaal steeds dikker wordt, vraagt vooral het verwerken van kleinere isolatiestukken extra aandacht. Bij onjuiste montage kan een zogenaamde valse spouw ontstaan: een luchtlaag tussen de isolatie en de binnenmuur. Dit gebeurt vaak doordat omliggende isolatie weerstand biedt. Een groot isolatiestuk van 30 cm laat zich nu eenmaal makkelijker plaatsen dan een klein stuk van 10 cm.
Wanneer zo’n situatie wordt geconstateerd, wordt de uitvoerder hierop gewezen. De oplossing is meestal eenvoudig maar essentieel: extra spouwankers bijboren om de isolatie alsnog goed vast te zetten en luchtlekken te voorkomen. Zo blijft de thermische schil intact en voldoet het bouwwerk aan de gestelde eisen.